In de ban van singularity

07.11.2012

Gisteravond woonde ik een lezing bij van Yuri van Geest, specialist op het gebied van Singularity, of op z’n Nederlands, singulariteit. In zijn lezing nam hij ons mee langs de verschillende deelaspecten van singularity: ICT, biotech, nanotech, neurotech, robots, artificiële intelligentie, nieuwe energie, braincomputer interfaces, 3D printers en ruimtevaart. Door de combinatorische mogelijkheden van al deze technieken gaan we van lineaire groei naar exponentiële groei. Feitelijk zitten we al in de fase van de exponentiële groei.

In een moordend tempo liet Yuri een aantal toekomstbeelden en best practices de revue liet passeren. Wat mij betreft had zijn lezing nog veel langer mogen duren. Maar er stonden nog meer programmaonderdelen op de rol en de voorzitter – overigens zeer terecht – was streng in de tijd. Yury en dus ook wij, het publiek, kregen exact een half uur.

 

 

De reacties van het publiek in de wandelgangen waren zeer divers. Waarbij overigens zij opgemerkt dat de lezing onderdeel was van de finale avond omtrent de prijsuitreiking van de innovatieprijsvraag =MEER, welke gisteren in Deventer plaatsvond. Je mag dus verwachten dat het publiek redelijk op de hoogte is van innovatieve begrippen, of op zijn minst geïnteresseerd.

Reacties als ‘razend interessant’ tot ‘hierbij haak ik af, dit is mij veel te ingewikkeld en ik moet het nog maar zien’. Maar ook verzet en weerstand. ‘Wat hebben we daar nou aan, van al die moderne dingen worden we toch niet gelukkiger, laten we het maar mooi houden zoals het nu is’.

Mmmm…, en dat terwijl er juist in de lezing perspectief werd geboden om problemen op het gebied van energievoorziening en gezondheidszorg op te lossen. Die sceptici willen toch straks ook een lekker verwarmd huis zonder de aarde nog verder uit te putten en toch ook heel graag een behandeling als er terminale kanker in het eigen lijf wordt ontdekt? Ik vind het steeds weer opnieuw raar dat veel mensen geneigd zijn een grens te trekken bij wat ze nu kennen en dat als OK beoordelen en dat notabene ook nog als de geldende maat neerzetten.

Een dergelijke afwerende houding kwam ik laatst ook tegen bij een aantal bezoekers van de Dutch Design Week (DDW) in Eindhoven met wie ik aan de praat raakte. Enerzijds trof ik bij velen een gretige fascinatie aan voor de esthetische aspecten van de geëxposeerde objecten, ook een ook logische houding, je gaat immers naar de DDW als je iets met design hebt. Anderzijds viel mij de desinteresse en of weerstand bij een aantal bezoekers op ten aanzien van geëxposeerde zaken die op het snijvlak lagen van techniek en design. Als het schoonheid toevoegde ja, dan was het OK, maar als de techniek vooropstond en de ‘uitvinding’ bedoeld was om dienstverlenend voor de gebruiker te zijn, werd de desbetreffende dienst nog wel eens als overtollig bestempeld.

Al die sceptici ten spijt, ondertussen omarmen we in Nederland ‘en masse’ nieuwe technieken. Als het gebruik van smartphones en tablets een maat mag vormen, komt het wel goed met die aversie tegen het nieuwe. Uit recent onderzoek blijkt dat Nederland voorop loopt in de adaptatie van smartphones en tablets: In Europa bezit 30% een smartphone, in Nederland is dat percentage 44%. De tablet is nog in opkomst, maar ook hier is het al duidelijk dat Nederland voor de stoet uitgaat, 7% gebruik in Europa tegen een percentage van 16% in Nederland!